Verschillende sectoren in Nederland zijn afhankelijk van de zee, waaronder van de Noordzee. Al deze sectoren (in combinatie met natuurbescherming) worden samen de “blauwe economie” genoemd. De verwachtingen zijn dat deze blauwe economie de komende jaren flink zal gaan groeien, hoe gaat dat eruit zien?

De blauwe economie bestaat onder andere uit visserij, toerisme, havens, scheepvaart en scheepsbouw, transport, maar ook nieuwe gebruikers: aquacultuur, blauwe biotechnologie, ontginnen van de zeebodem en hernieuwbare energie (wind, getij, golven). Al deze sectoren leveren ‘blauwe groei‘ op. De blauwe economie van Europa is goed voor 5,4 miljoen banen en een bruto toegevoegde waarde van bijna 500 miljard euro per jaar. En er is meer groei mogelijk, signaleert (ook) de Europese Unie (EU). Onderstaande video legt in het kort uit wat er al gebeurt.

 

Duurzame mariene

De Europese Commissie ziet dus kansen voor duurzame mariene en maritieme groei, zoals hernieuwbare oceaanenergie, het beschermen van flora en fauna onderwater (SDG 14) en de ontwikkeling van economische groei en banen. Deze zullen er alleen ook voor (kunnen) zorgen dat het een drukke bedoeling wordt op zee, daarom kijkt de EU heel precies naar wat er op welke plek mogelijk en verantwoord is.

Denk bijvoorbeeld aan het bepalen van een veilige afstand tot een windturbine voor schepen. Dit hangt af van de scheepvaartintensiteit, of er wel of niet sprake is van kruisend verkeer, en of er wel of niet gevaren mag worden in de windparken. Dit betekent dat afwegingen over het gebruik van de Noordzee samen met de Noordzee-buurlanden gemaakt moeten worden, want het Noordzeebeleid is een internationaal beleid. Een aantal zaken op de Noordzee kunnen alleen met internationale afstemming worden geregeld.

Succesvolle afstemming

Een voorbeeld van internationale afstemming is het Europese Gemeenschappelijke Visserijbeleid (GVB). In de visserij werkte vroeger ‘ieder land voor zich’; de grote problemen van overbevissing werden niet opgelost. Om overbevissing tegen te gaan en de visserijbestanden gemeenschappelijk te beheren, werd in de jaren zeventig het GVB in het leven geroepen. Voor onder andere de Noordzee is dit succesvol gebleken.

Inmiddels is daarom ook het beleid rondom ruimtelijke planning op zee (ofwel maritieme ruimtelijke ordening, in het Engels: Maritime Spatial Planning, MSP) veranderd. Vroeger liet men innovaties op zee min of meer nog ‘zijn gang gaan’, maar dat mag nu niet meer. Sinds 2014 moeten alle EU-lidstaten de menselijke activiteiten op zee van tevoren plannen, om deze zo efficiënt en duurzaam mogelijk te laten verlopen. Alle belanghebbenden moeten in dit planningsproces op transparante wijze worden betrokken. Voor kleine eilandstaten lijkt overigens nog het een en ander te winnen. Wel worden er studies gedaan om deze ontwikkeling te ondersteunen.

Scenario’s voor de Noordzee

De ontwikkeling van nieuwe activiteiten op zee kan grote gevolgen hebben. Het Planbureau voor de Leefomgeving publiceerde daarom onlangs een rapport, waarin ze vier verschillende scenario’s voor de Noordzee onderzoeken, genaamd: De toekomst van de Noordzee. Deze studie verkent de ruimtelijke en ecologische effecten van mogelijke ontwikkelingen op de Noordzee tussen nu en 2050 voor de natuur, energietransitie en voedselvoorziening.

Het doel van de studie is om antwoord te geven op de vraag: wat zijn de mogelijke ruimtelijke en ecologische gevolgen van plausibele ontwikkelingen op de Noordzee en specifiek het Nederlands Continentaal Plat, en wat betekent dat voor het beleid? In het rapport wordt duidelijk dat alle plannen een grote impact hebben op het ruimtegebruik op de Noordzee. Er is wat dat betreft een ding zeker: het gesprek over de blauwe economie moet met alle gebruikers van de Noordzee gevoerd (blijven) worden om er een duurzaam succes van te maken.

Bronnen: Vistikhetmaar.nl, eigen redactie
Foto: Free-Photos @ Pixabay.

Pin It on Pinterest