De vanuit de overheid gesteunde partnerschappen van het Nederlandse bedrijfsleven in lage- en middeninkomenslanden worden geacht bij te dragen aan de SDGs. Maar in de praktijk blijft het nog te vaak onduidelijk in hoeverre kleine boeren hiervan profiteren.

Aan welke publieke doelen worden SDG-partnerschappen geacht bij te dragen, en hoe gaat de overheid ervoor zorgen dat deze bijdrage ook bewerkstelligd wordt? Met de recente lancering van de SDG Partnerschapfaciliteit (SDGP) is er geen tijd te verliezen om ervoor te zorgen dat de schaarse publieke middelen ook daadwerkelijk aan het bereiken van de SDG-doelen worden besteed.

Win-win situatie?
Minister van Ontwikkelingssamenwerking Sigrid Kaag lanceerde eind mei een nieuwe faciliteit voor het bedrijfsleven om bij te dragen aan de doelen van ontwikkelingssamenwerking, de Sustainable Development Goals Partnership Facility (SDGP). De faciliteit heeft als doel bij te dragen aan duurzame voedselproductie en ontwikkeling van de private sector in lage- en middeninkomenslanden. Dat is een belangrijke doelstelling gegeven het feit dat, ondanks de sterk groeiende vraag naar voedsel, de binnenlandse productie van voedsel in de meeste Afrikaanse landen sterk achterblijft.

Het idee achter de faciliteit is simpel: het Nederlandse bedrijfsleven heeft veel kennis en ervaring met het efficiënt en duurzaam produceren van voedsel, en door deze kennis en ervaring voor ontwikkelingsdoeleinden in te zetten, schiet zowel een Afrikaanse boer als het Nederlandse bedrijfsleven er iets mee op.

Maar is dat ook zo? Een recente evaluatie van het IOB laat zien dat de effecten van eerdere voedselzekerheidsprojecten met het bedrijfsleven onduidelijk blijven, en ook onze eigen bevindingen suggereren dat het allemaal nog niet zo simpel is. Ja, partnerschappen kunnen bijdragen aan duurzame agrarische ontwikkeling, maar alleen als de betrokken partijen echt weten wat er speelt in de regio waar ze werken, en bereid zijn om te investeren in versterking van de regio in kwestie, en in de randvoorwaarden voor duurzame ontwikkeling.

Investeren in randvoorwaarden
In het rapport Global partnerships for inclusive and sustainable agricultural development laten we zien dat publiek-private partnerschappen prima aan de SDG-doelen kunnen bijdragen. Er moet dan wel aan een aantal randvoorwaarden worden voldaan. Zo is het moeilijk om te zorgen dat arme boeren meeprofiteren van landbouwontwikkeling als zij niet in lokale besturen of boerencoöperaties vertegenwoordigd zijn, en het stimuleren van duurzaam water- en bodembeheer wordt erg lastig als wet- en regelgeving lokaal ontbreekt of niet gehandhaafd wordt.

Investeren in zulke publieke randvoorwaarden is bijna nooit rendabel voor private partijen. Maar, het is wel essentieel om ervoor te zorgen dat partnerschappen bijdragen aan de SDGs. Dit is waarom wij ervoor pleiten dat de publieke middelen van partnerschappen worden ingezet op het lokaal versterken van de randvoorwaarden voor inclusieve, duurzame agrarische ontwikkeling, en er zodoende voor te zorgen dat partnerschappen daadwerkelijk bijdragen aan de SDGs.

In onze studie zetten we op een rij welke ervaringen er zijn met het versterken van de randvoorwaarden voor duurzame ontwikkeling, en op welke wijze partnerschappen kunnen bijdragen aan groei die de armsten ten goede komt. Vaak is dit laatste in partnerschappen de taak van niet-gouvernementele organisaties (NGOs), een taak die niet zelden op gespannen voet staat met de eis dat partnerschapsactiviteiten na zeven jaar economisch rendabel zijn. Dit maakt ook het bereiken van ecologische doelen erg lastig: het economisch rendabel maken van ecosysteemrestoratie en duurzaam bodem- en waterbeheer lukt zelden in zeven jaar.

Er zijn goede redenen om het bedrijfsleven bij ontwikkelingssamenwerking te betrekken, maar dit vraagt wel dat overheden extra hun best doen om te zorgen dat publieke gelden ook aan publieke doelen worden besteed. Laten we er met alle kennis die we inmiddels hebben voor zorgen dat de middelen die beschikbaar zijn voor het bereiken van de SDG-doelen hier ook voor gebruikt worden.

Jetske Bouma en Ezra Berkhout zijn respectievelijk milieu-econoom en ontwikkelingseconoom bij het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL), gespecialiseerd in analyses rond duurzame ontwikkeling.

Pin It on Pinterest